Leesvoer
columns en verhalen

Feestoma
Halve Zool
Theerozenslaap-mutskussen
Uitglijder
Coulance
De Stok
De Smaak van Sneeuw
Alles(w)eter
De Kauwgomplaatjes

Feestoma

Met mijn kleinzoon Luca, hij is vier, bekijk ik de foto’s van de zestigjarige bruiloft van mijn ouders.
Mijn vader komt regelmatig langs en treft dan bij ons ook vaak Luca. Mijn moeder komt dan niet mee, zij is nogal honkvast, zomaar op visite gaan doet ze niet. Maar op verjaardagen en familiefeestjes is ze wel altijd van de partij.
Op het computerscherm verschijnt een foto van het bruidspaar. Luca wijst naar de bruid, zijn overgrootmoeder, en zegt: ‘Die oma komt alleen maar op feestjes.’

 

‘Feestoma’ was eerder geplaatst op Kleinkids, januari 2014.

© Ees de Winter


Halve Zool

Het restaurant in Borger heeft groene raamluiken en een luifel boven de deur. Binnen onder het lage balkenplafond is het volgestouwd met bruin meubilair en boerenprullaria. Koperen lampen verspreiden een gelig sfeerlicht. Ria en ik zitten bij het raam. Op de tafel staat een mini hunebed met daarop het tafelnummer geschilderd. We komen voor de asperges.
‘Die valt hier uit de toon,´ zegt Ria als we de aspergesoep oplepelen. Ze wijst naar een zwart beeld in de vensterbank voor onze tafel. Ik heb er nog niet echt goed naar gekeken, omdat ik de bejaarde ober volg. De kleine man draaft als enige bediende van tafel naar tafel in het redelijk bezette eetlokaal. Hij draagt een zwarte pantalon, dito mouwloze pullover en een wit overhemd met lange mouwen. Halverwege zijn neus hangt een goudkleurig brilletje met ronde glazen. Hij informeert bij de gasten in korte zinnen naar hun wensen, ook zijn antwoorden zijn kortaf, vaak maar één lettergreep.
Ik bekijk de driekwart meter hoge sculptuur van onder naar boven. Een vrouwelijk naakt met boomstambenen. In de schaduw van een rubensbuik, waarop grove samengevouwen handen rusten, een opbollende venusheuvel en tussen de benen een brede inkeping. Het hoofd is kleiner dan de borsten.
‘Ze is niet verlegen,´ zeg ik. ‘Het lijkt of ze moet plassen.´
‘Pas maar op dat ze het niet in je soep doet,´ waarschuwt Ria. Onwillekeurig schuif ik mijn soepkom uit de denkbeeldige plasrichting.
‘Hoe komt dat beeld hier verzeild?’ vraag ik aan de ober wanneer hij de lege soepkommen weghaalt.
‘Mijn baas is een halve zool,’ zegt de man en baant weg.
De schnitzel met asperges en gesmolten kaas is meer dan lekker. Toch voel ik me niet happy. Komt door die plompe blote tante boven mijn bord. Af en toe kijk ik steels naar haar. Glanzend zwart staat ze daar. Schaamteloos. Sneller dan ik gewoon ben eet ik mijn bord leeg.
‘Heeft het gesmaakt?’ vraagt de ober op een toon die geen nee duldt. Hij heeft de dessertkaart bij zich. Eigenlijk wil ik weg. Normaal gesproken doe ik een moord voor een toetje, maar zij die wijdbeens met haar grote voeten op de vensterbank boven mij uittorent en ieder moment over mijn eten kan pissen, ontneemt me mijn lekkere trek. Ze kan niet plassen, het is een stuk steen: een stom beeld, houd ik mijzelf voor en bestel dan toch vanille-ijs met ananas en slagroom.
‘Smaakt goed die ananas,’ zeg ik tegen Ria. De ober komt aanstormen met een glas bier in zijn hand. Vlak bij ons tafeltje struikelt hij. Met moeite blijft hij op de been. Maar uit het glas floept bier. Over onze tafel. Keurig tussen de ijscoups door.
‘Mijn baas is een halve zool,’ is het enige wat de ober zegt als hij het tafelblad droog dept. Zweetdruppels parelen op zijn voorhoofd. Als hij weg is zie ik een geelbruin plasje tussen de slagroom en het ijs.
‘Bier met slagroom heb ik nog nooit gehad,’ grap ik.
‘Dat is geen bier,’ zegt Ria. Ze wijst breed glimlachend naar de blote miss Vensterbank. Op de binnenkant van haar dij zie ik een natte kronkelstreep en enkele witte schuimbubbels. Meteen schuif ik de ijscoupe van me af. Ria kijkt eerst verbaasd naar me en begint dan onbedaarlijk te lachen. De naakte lacht schudderubensbuikend mee.
Hoe kom ik zo gek, vraag ik me af. Ik kan me niet herinneren dat ik mijn eten ooit heb laten staan. Een keer viste ik ijzereheinig een lange zwarte haar uit mijn soep en nog niet zo lang geleden sneed ik een meegebakken vlieg uit mijn spekpannenkoek, beide keren at ik smakelijk verder. Terwijl nu iets dat ik me alleen maar inbeeld me doet kokhalzen. Ik weet dat het bier is. Een beeld kan niet plassen. Voor geen goud ga ik dat ijs opeten. Ik snap er niets van.
De gierende Ria doet me beseffen dat er tot in lengte van jaren geen etentje voorbij zal gaan waar zij dit verhaal niet zal opdissen. Steeds sterker overdrijvend. Geen toetje zal ik meer eten zonder haar gegiechel.
De ober kijkt misprijzend van het half gesmolten ijs naar mij als hij komt afruimen. Ik zie hem denken: halve zool. Hij heeft nog gelijk ook.

 

Halve Zool is eerder in een iets andere versie gepubliceerd in de bundel Altijd Zomer (diverse auteurs) verschenen bij uitgeverij AquaZZ in augustus 2012.

© Ees de Winter


Theerozenslaapmutskussen

Er was eens een witte, zijden theemuts met geborduurde theerozen die zich te voornaam vond om theepotten warm te houden. Het enige wat ze deed was pronken op de theetafel van de koningin. Zelfs de gouden staatsietheepot weigerde ze. Haar zilveren knip hield ze stijf dicht. Geen lakei die haar open kreeg.
‘Wat heb ik aan een theemuts die haar plicht verzaakt?’ zuchtte de koningin. Pardoes gooide ze de muts uit het raam.
Op het trottoir voor het paleis vond Frederik de muts. Hij nam haar mee naar zijn kartonnen woning. De koninklijke theemuts gebruikte hij als hoofdkussen. De muts gloeide dan van verontwaardiging en verwarmde zo onbedoeld jarenlang de slapende zwerver. Die sliep als een roos op zijn theerozenslaapmutskussen.

 

‘Theerozenslaapmutskussen’ is eerder gepubliceerd in de e-bundel ‘Een Bundeltje Kerstverhalen’ in december 2011.

© Ees de Winter


Uitglijder

Bas is van de Gereformeerde Gemeente. Hij vloekt nooit en als iemand in zijn gezelschap het doet, wijst hij hem of haar vriendelijk terecht.

Door de sneeuw is de polderweg waaraan ik woon spiegelglad. Bas glijdt met zijn auto uit de bocht en komt tot stilstand tegen het betonnen elektriciteitshuisje in de berm. Mijn buurman trekt de auto met zijn tractor weer op de weg. Als hij stopt, glijdt de auto met Bas erin door en knalt tegen de tractor aan.

Door het geopende portierraam kijkt Bas me ontsteld aan. Dan spuugt hij zijn frustratie uit, met een hartgrondig en luid: ‘Dóndérdág!’

 

‘Uitglijder’ verscheen eerder in NRC, december 2010

© Ees de Winter


Coulance

Mijn vader, 83 jaar oud, was boos. Om met de kinderboekenschrijver W. G. van der Hulst uit mijn jeugd te spreken: heel erg boos.
Pa was opgebeld door een “juffrouw” die hem een telefoonabonnement wilde “aansmeren” dat goedkoper is dan zijn huidige. ‘U bent een dief van uw eigen portemonnee als u niet van deze aanbieding gebruik maakt,’ zei ze. ‘Ik stuur u de papieren op, dan kunt u het nog eens rustig doorlezen. U zit nergens aan vast, want als u het contract binnen zes dagen na ontvangst weer terugstuurt gaat de overeenkomst gewoon niet door.’ Dat opsturen hoefde niet van mijn vader. De verkoopster begon opnieuw de voordelen van hun abonnement op te sommen.
‘Ik wil het niet,’ onderbrak mijn vader haar.
‘Zal ik u dan de informatie per post toesturen?’ vroeg de vrouw. Om er maar van af te zijn zei mijn vader: ‘Ja’.
De enveloppe met “informatie” verdween ongelezen in de doos met oud papier.

Drie weken later kreeg mijn vader een brief waarin stond dat zijn nieuwe abonnement over een maand inging. Het oude hadden ze voor hem opgezegd.
Hij belde de enthousiaste telefoonmaatschappij direct op en zei dat hij hiervoor geen toestemming had gegeven. ‘Dan had u het contract binnen zes dagen terug moeten sturen,’ was het laconieke antwoord. ‘Ik zit er zeker drie maanden aan vast,’ brieste mijn vader.

‘O, maar dat heeft uw vader helemaal verkeerd begrepen,’ fleemde de vrouw, die ik na een kwartier wachten (vijftien cent per minuut) aan de lijn kreeg. ‘Voor mensen die bij nader inzien het abonnement toch niet willen is er een coulanceregeling. Uw vader moet ons een door hem ondertekende brief sturen waarin staat dat hij van die regeling gebruik wil maken, wij zorgen dan dat alles bij het oude blijft. Dat moet binnen een maand na aangaan van de verplichting, mensen ouder dan tweeënzeventig hebben drie maanden respijt. Een kopietje van zijn identiteitskaart meesturen als bewijs dat hij ouder is dan tweeënzeventig’

Pa staat nu ingeschreven bij het Bel-Me-Niet register; heel wat beter voor zijn gemoedsrust dan de coulance van die telefonische aansmeerders.

 

‘Coulance’ verscheen eerder in De Pers, september 2010

© Ees de Winter


De Stok

Een voorval uit mijn schooltijd schoot me te binnen toen ik afgelopen week langs mijn oude school reed. Er is nu een garagebedrijf in gevestigd. Monteurs reparen auto’s waar ik leerde lezen, schrijven en rekenen. Op de voorgevel staat nog: Keucheniusschool.
Achter in de schoolgang waren drie toiletten. De deur van de middelste stond wagenwijd open. Er kwam een verstikkende geur uit. Naast de geopende deur stond de bovenmeester, met in de hand zijn onafscheidelijke aanwijsstok. Zijn bolle hoofd was rood aangelopen van verontwaardiging. In de gang stonden de ruim honderd kinderen van de Gereformeerde lagere school van Smitshoek in rijen opgesteld.
‘Wie heeft er niet doorgetrokken?’ bulderde het hoofd van de school. Eén voor één moesten de kinderen in de wc-pot kijken. Daar lag, in het reeds verkleurde plasje water, een enorme hoop. Een kunstwerk. Even kwam in mij de gedachten op, om te zeggen dat ik de kunstenaar was; hoewel dit een leugen zou zijn. Ongetwijfeld was ik dan de held van de school geweest. Maar één blik op de bovenmeester met zijn stok, waar hij tijdens het zingen ook driftig de maat mee aangaf, zo driftig zelfs, dat tijdens het zingen van de psalm Zend Heer U Licht En Waarheid Neder een witte glazen lampenkap geraakt werd en in het pad tussen de banken uiteen spatte, was voldoende om er vanaf te zien.
Vol bewondering voor het bouwwerk en zijn onbekende bouwer keerden wij naar onze lokalen terug. Waar wij gespannen wachtten op het vervolg. De deur van de klas stond open. Er werd doorgetrokken. Nog een keer. En nog een keer. Een vervaarlijk bovenmeesterlijk gekreun steeg op, gevolgd door een dreigende stilte. De juffrouw frummelde aan haar knotje. Niemand durfde zich nog te verroeren. Plotseling een heftig gepor en geplons, waarna de wc werd doorgetrokken.
De hoofdonderwijzer verscheen in de tussendeur, zonder stok, maar geheel gekalmeerd. Met een effen gezicht begon hij aan de weeksluiting. Blijkbaar was hij tot de slotsom gekomen dat het zelfs voor een leerling onderwezen op Gereformeerde grondslag, ondoenbaar was deze monumentale hoop direct na plaatsing binnen enkele tellen te laten wegspoelen.

 

‘De Stok’ verscheen eerder in De Pers, augustus 2010

© Ees de Winter


De Smaak Van Sneeuw

Ik sta voor het graf van Leen. Ze ligt onder een grote, wit marmeren steen, die me aan een badkamervloer doet denken. Haar naam is met koper geschreven: Lena Sijtje van Buren.

Vanaf de kleuterschool waren Leen en ik onafscheidelijk. We trouwden in de zomer van 1959. Ik had de groen uitgeslagen hoge hoed van mijn opa op, hij hing half over mijn ogen. Oude vitrage, bruin van de sigarettenrook, was Leen haar sleep. In haar handen een boeket van fluitenkruid. Stijf gearmd stonden we voor een rechtop staande veilingkist waar een uit de voegen gelezen boerenroman op lag; de trouwbijbel. Achter de kist, in een veel te groot zwart colbertje, waarvan de mouwen waren omgeslagen, stond Cobie, haar armen hield ze schuin omhoog en haar vingers gestrekt, als bracht ze een dubbele Hitlergroet; ze zegende ons huwelijk in.
Grote koolbruine ogen had Leen, die met een omfloerste, mystieke blik de wereld in keken. Zwart, grof krullend haar omkranste haar bruin getinte huid. Ze was een prinsesje en een wildebras tegelijk: met lakschoentjes en een roze jurkje aan klom ze in de hoogste boom, voerde ze halsbrekende kunstjes uit op het klimrek en ging hoger met de schommel dan wie ook. Het wandelwagentje met daarin haar babypop stalde ze dan zorgzaam in de schaduw.
Na acht jaar dorpsschool fietsten we iedere dag samen naar de middelbare school in de stad. Veertien waren we toen we elkaar voor het eerst schuchter zoenden. Son Of A Preacherman van Dusty Springfield werd ons lijflied; ik was een domineeszoon. In POPfoto lazen we dat Dusty een bed van vier bij drie meter had gekocht. Beddengoed voor een bed van die grote was in Engeland niet te krijgen en werd daarom in Amerika besteld.
‘Op dat bed kan je lekker trampolinespringen,’ zei Leen.
‘Later kopen wij ook zo’n groot bed,’ zei ik.
Ze knikte enthousiast.

Ik buk en voel aan de steen, zandkorrels schuren onder mijn vingers over het marmer. Afgelopen december is ze gestorven. Mij is verteld dat het hard sneeuwde toen ze werd begraven. Op haar kist lag een sneeuwdeken.

Ik stond achter haar en wreef haar gezicht in met sneeuw. Drie weken had ik haar niet gezien. Leen studeerde in Amsterdam. Ik volgde een opleiding in Breda. Van vrijdagavond tot zondagavond waren we thuis. Steeds vaker bleef ze het weekend in Amsterdam.
‘Sneeuw smaakt naar niets,’ zei ze. Haar traditionele wraak, een sneeuwbal in mijn nek, bleef dit keer uit. Geen koud waterstraaltje dat tergend langzaam langs mijn ruggengraat naar beneden zakte. Bij het afscheid hield ze me lang vast. Langer dan anders.
Een paar dagen later kreeg ik een kort briefje van haar: Ik heb een ander lief. Sorry Preacherman. Leen. Nog die zelfde dag ging ik naar Amsterdam, tot aan haar deur ben ik geweest, zonder aan te bellen ben ik weer terug naar Breda gegaan.

Dertig jaar later stapte ik café Loos binnen en stond oog in oog met haar. Ze zat aan een tafeltje recht voor de deur. Haar krullend haar was zwart geverfd, ze droeg een roze mantelpakje met ruches. Ze zag mij ook. Onze ogen hielden elkaar gevangen.
‘Preacherman,’ hakkelde ze.
‘Leen.’
‘Toevallig. Leuk. Je bent forser geworden en je haar is kort. Verder ben je niets veranderd.’
‘Jij ook. Ik bedoel niet veranderd. Niet forser. Natuurlijk.’
Ze glimlachte. Naast haar zat een grote vrouw met een grof gezicht, ze had een oversized mannencolbertje aan. Vragend keek ze van Leen naar mij. Leen stelde ons niet aan elkaar voor. Ze zweeg. Staarde naar me. Of achter me.
‘Leven je ouders nog?’
Ze schudde haar hoofd. ‘En de jouwe?’
‘Ja.’
‘Wonen ze nog in het dorp?’
‘Kort nadat jij, wij…, is mijn vader gevangenispredikant geworden en zijn ze naar Haarlem verhuisd.’
‘Oké.’ Ze draaide een leeg bierglas rond in haar handen en bleef me aankijken.
‘Ik… Mijn vrienden zitten daar.’ Ik wees naar hen. ‘We eten hier wat en gaan dan naar De Kuip. Een interland.’
Ze knikte.
‘Ik moet… Ben al laat.’
‘Dag.’ Haar ogen lieten de mijne los. Ik stak mijn hand half omhoog en vluchtte naar mijn voetbalmaten.

‘Leen was met een vrouw,’ zei mijn moeder. ‘Ze heet Karin.’ Ze had de rouwadvertentie uit de krant geknipt en voor me bewaard.
‘Jeugdliefdes trouwen zelden met elkaar,’ doorbrak mijn oude moeder de stilte die viel nadat ik het knipsel had gelezen, ‘trouwen ze wel, dan draait het meestal uit op een scheiding.’
Na veertig jaar samen is plotseling overleden mijn liefste, herlas ik. Ze kenden elkaar al toen Leen en ik nog…, bleef het bonken in mijn hoofd.

‘Bij de tandarts las ik in zo’n blaadje dat Dusty Springfield lesbisch was,’ zeg ik tegen de buiten proporties grote witte badkamersteen. ‘Wist ik ook niet. Jij? Ze is ook dood. Al lang.’

 

‘De Smaak van Sneeuw ’ verscheen eerder in Vrij Nederland, juli 2010

© Ees de Winter


Alles(w)eter

In de supermarkt staat voor de eieren, wat je noemt, een dame. Haar wijsvinger, met rood gelakte nagel, gaat langs de doosjes. Achter haar wacht een dikke man. Hij heeft een schipperstrui aan en een pet op. Ik sluit de rij.
‘Eieren van kippen die buiten lopen zoek ik,’ zegt de vrouw terwijl ze over haar schouder naar ons kijkt, ‘als ik een eitje eet moet dat er één zijn van een kip die een leuk leven heeft.’
Ze concentreert zich weer op de eieren. Terwijl haar ogen het schap afzoeken tikt ze nerveus op een eierdoos. Eerst klakt ze met haar tong, om daarna allerlei onbestemde geluidjes te maken.
‘Hebbes,’ jubelt ze. Van de bovenste plank pakt ze een donkerbruine doos. ‘Bof ik even, het is de laatste.’
‘Die buitenkippen eten wormen,’ zegt de schipperstrui. Hij wrijft over zijn uitpuilende buik. ‘Dat zie je aan de donker gekleurde dooier.’
‘Jakkes… Echt?’
De man knikt nadrukkelijk van ja. Met een vies gezicht zet de dame de eierdoos terug.
‘Die eten dooie vissen en half vergane ratten.’ De dikke wijst naar de paling in mijn kar. ‘Als de mensen eens weten wat ze eten, meneer, dan eten ze nooit meer. Wat dacht u van biologische groente? Die bioboeren rijden karrenvrachten stront uit over hun land. Reken maar dat de maden en de bacteriën in de preitjes en krootjes kruipen.’ Triomfantelijk kijkt hij ons aan. ‘Mij zal het worst zijn, ik eet gewoon alles.’ Hij geeft me een knipoog, pakt de teruggezette doos scharreleieren en legt die in zijn kar.
De dame trekt haar wenkbrauwen op en bolt haar wangen. Pffff…, ze blaast in de alles(w)eter zijn gezicht. ‘Het is te zien dat je alles eet.’ Met haar vinger prikt ze in de bolle buik van de man. ‘Buikvet is slecht. Mannen met dikke buiken gaan veel eerder dood.’ Ze grist de paling uit mijn boodschappenwagentje en gooit ze in het karretje van de dikke man. ‘Jij moet dooie vis eten, dat is gezond,’ zegt ze als ze de scharreleieren overhevelt van zijn naar haar kar.

 

‘Alles(w)eter’ verscheen eerder in De Pers, mei 2010.

© Ees de Winter


De Kauwgomplaatjes

De trap kwam midden op de zolder uit. Links was de slaapkamer van mijn ouders. Aan de andere kant van de kleine zolder was achterin een kamertje gemaakt, waar ik en mijn twee zusjes sliepen. De ruimte die overbleef tussen het kamertje en de trap was overdwars in tweeën gedeeld. De ene helft was een enorme kast, gemaakt van triplexplaten, met twee grote deuren. De kast hing vol kleding, daaronder stonden schoenen. Achterin lag wat een mens zoal wil bewaren. De meeste aantrekkingskracht op mij had de soldatenkist van mijn vader.
Gewapend met een zaklamp kroop ik tussen de jassen en jurken door. De kist kon niet helemaal open vanwege het schuine dak. De inhoud was een goudmijn. Het rook naar Indië, heerlijk muf. Soldatenkleding, petten, mutsen, riemen, handdoeken en dekens. Alles was groen. En souvenirs uit Indië: Een opgezette leguaan, fotoalbums, houtsnijwerk en een kris. Die laatste, eigenlijk bedoeld om brieven te openen, stak ik tussen de riem met koperen gesp, die ik om mijn middel had gegord en zette dan één van de mutsen op. Zo kroop ik de kast uit. Tussen de jassen zocht ik de lange soldatenjas en trok hem aan. Hij was zwaar en sleepte over de grond. Om langer te zijn deed ik de pumps van mijn moeder aan. Ik was prins Benhard en ging de Duitsers te lijf. Op naaldhakken. Tot mijn moeder zich afvroeg hoe al die putjes in het zeil kwamen.
De andere helft van de middenzolder had ik geannexeerd en tot een plekje van mezelf gemaakt. Tegen de tussenwand stond een Tomado boekenrekje met onder anderen de complete Pietje Bellserie en de Kameleonboeken. Daarnaast een tweede soldatenkist, die ik gebruikte als bureau en waarop mijn eigendommen lagen uitgestald. Ik verzamelde van alles, ansichtkaarten van vliegtuigen en zeeschepen, postzegels, sigarenbandjes en aan de muur hing een stuk schuimplastic, waarop honderden speldjes waren geprikt. Ook hield ik plakboeken bij met krantenknipsels over Winston Churchill en foto’s van prinses Beatrix. Een portret van de Engelse oorlogsleider met een grote sigaar in zijn mond, hing prominent in de sigarenzaak van oma. Ze aanbad hem. Ik had een zwak voor de altijd lachende Trix, de manier waarop ze haar arm beschermend om haar jongste zusje heen sloeg, nam me voor haar in. Mijn vriendje Gijs viel op haar zus Irene, hij vond de tweede prinses een stuk. Hij was, net als ik, ook verliefd op Tineke, die bij ons in de klas zat. ‘Een lekker wijf,’ zei Gijs. Maar was hij in haar buurt dan bleef er van zijn branie niet veel meer over. En ik met mijn zwarte brillenmontuur deed al helemaal geen poging.
De verzameling filmsterrenfoto’s was mijn mooiste bezit. Meer dan honderd van die plaatjes van vijf bij tien centimeter had ik. Je kreeg ze bij een even groot, dun plakje roze kauwgom. Dat heel zoet was. Na een poosje heftig kauwen kon je er een flinke kauwgomballon van blazen, de kunst was het moment van uiteenspatten zo lang mogelijk uit te stellen.
Ik kwam niet uitgekeken op de filmsterren. Gina Lollobrigida met haar weelderige boezem en rode zoenlippen. Mijn moeder sprak er schande van dat in de film La Bambole, die ze overigens niet gezien had, de navel van de Italiaanse ster te zien was. Ik was meer nieuwsgierig naar haar borsten, die gevangen zaten in een strak keurslijfje, waar ze slechts half uitpuilden. Dat La Lollo in die zelfde film een veel jongere priesterstudent verleidde wist mijn moeder niet. Ik had het ergens gelezen, jaloers was ik op dat studentje. Mijn vriendje vond haar te oud. ‘Maar,’ sprak hij zijn vader na, ‘op een oude fiets moet je het leren.’ Ook Brigitte Bardot vonden mijn moeder en Gijs maar niets. ‘Die vrouw neemt bij iedere film een andere man,’ zei ma schamper. ‘Die meid gaat van hand tot hand,’ zei Gijs zijn vader weer na. Ik had meerdere plaatjes van haar. Als ik naar die foto’s keek was het of ik haar kon ruiken, vasthouden. ‘Et Dieu… créa BB ,’ mompelde ik dan, elf jaar oud, vrij naar Et Dieu… Créa La Femme, een film van Roger Vadim, waarin zij de hoofdrol speelde. Zelfs Conny Froboess kon ondanks haar lieftallige, wat preutse uitstraling geen genade vinden in de ogen van mijn moeder. ‘Als ik Duits hoor,’ zei ze, ‘dan gaan al mijn haren recht overeind staan. Dat komt door die rot oorlog.’ ‘Een moffin,’ sneerde Gijs. Het woord mof stond hoog in de vocabulaire hitparade van zijn vader. Ik trok me daar niets van aan en adoreerde het zangeresje met de reeënogen en de guitige koontjes. Tot ik me tot The Stones bekeerde was haar nummer een hit Zwei Kleine Italieners mijn favoriete meebruller.
Al mijn snoepgeld, een dubbeltje per week, ging op aan de filmsterrenkauwgom. Ook oma, die ze in haar winkel verkocht, stopte mij er regelmatig een toe.

Op mij knieën zat ik aan mijn kistbureau, voor me lagen de filmsterplaatjes uitgespreid. Rex Gildo, Cliff, Catherine Valente... feilloos herkende ik de sterren op de foto’s.
Ik hoorde mijn moeder de trap opkomen. Ze kwam achter me staan. ‘Gooi die plaatjes toch weg,’ zei ze. ‘Dat soort mensen hoor je niet te vereren.’
‘En u spaarde ansichtkaarten van Deanna Durbin.’
‘Hoe weet je dat?’
‘Van oma.’
‘Heel kort maar. Met mijn vriendin was ik stiekem naar de bioscoop. Deanna zoende in de film een man. Toen kreeg ik het zo benauwd. Ik voelde het teken en zegel van de doop op mijn voorhoofd branden. Ik had een grens overschreden, een christen hoort daar niet. Thuisgekomen heb ik de kaarten direct verscheurd.’
Ze ging weer naar beneden. ‘Je krijgt last met je geweten als je ze houdt,’ zei ze, haar hoofd nog net boven het trapgat.
Die nacht sliep ik onrustig. Steeds weer herhaalde zich dezelfde droom: de filmsterren poseerden uitdagend op zolder. Mijn moeder steeg op uit het trapgat. Op haar voorhoofd zat een rode vlek. Ze blies een ballon van de roze kauwgum. ‘Zonde,’ zei ze als de kauwgumballon knapte.
De volgende morgen zat ik al vroeg in mijn hoekje. Een voor een bekeek ik de plaatjes. Nooit zou ik ze kunnen verscheuren.
Ik nam ze mee naar school.
Op het schoolplein ging ik direct naar Tineke. Een Lollobrigida in de dop. Bij haar thuis waren ze niks, niet gereformeerd of hervormd, noch van een andere kerk.
‘Wil jij ze hebben?’ vroeg ik en hield haar het stapeltje kauwgomplaatjes voor. Begerig trok ze de filmsterren uit mijn handen en stopte ze in een zak van haar zeiljack.
‘Zullen wij met elkaar gaan?’ vroeg ik. Ik voelde mijn wangen kleuren.
‘Nee,’ zei ze en liep weg.
Later hoorde ik dat ze de plaatjes voor twee cent per stuk had verkocht.

Oma schudde haar hoofd, nadat ze mijn verhaal had aangehoord. ‘In de la van het dressoir ligt nog een foto van Brigitte Bardot,’ zei ze. ‘Die mag jij wel hebben, hij is te pikant voor de winkel.’ Samen bekeken we de ansicht. BB hield haar petticoatrokken tot ver boven haar knieën opgetrokken. Haar in zwarte netkousen gestoken benen waren bijna helemaal te zien. Oma vond de jarretels die de kousen ophielden grappig. Ze moest er om lachen.
Ik vergaapte me aan de filmster. Want ze was mooi. Grenzeloos mooi.

 

Derde prijs Rotterdamse schrijfwedstrijd 2007

©Ees de Winter



 
  © Ees de Winter